teksten

 

Recensie: Noor van der Brugge – Freud’s Cigars

Jur Koksma | 08/02/2018 TZUM literair weblog


Jetzt sind wir frei
Men moet een boek niet beoordelen aan de kaft, zo wil het gezegde. Schoonheid van buiten en van binnen liggen immers lang niet altijd op één lijn. Maar doe het vooral wel wanneer je Freud’s Cigars (The Yeats Sisters Press, 2017) van Noor van der Brugge in handen hebt.
Om te beginnen heeft de buitenkant zelf een interessante binnenkant. De fraaie vouwwijze van het omslag maakt dat een strook groen van de binnenzijde nu een breed venster vormt midden in het verder witte voorblad. Een beetje van binnen is zo buiten geworden en biedt weer uitzicht naar… binnen. Het is alsof je in een kijkhut zit en je opgenomen waant in de wereld die je bespiedt. Toen ik het boek in handen kreeg, kon ik de aandrang niet weerstaan meteen het omslag eraf te halen en uit te vouwen. De reep groene penseelstreken kwam los van zijn kader en werd onderdeel van een landschap, of wacht, het was een kruin van een boom. In de hoeken van een denkbeeldig vierkant stonden er vier woorden: jetzt, sind, wir en frei. Wie als kind in bomen geklommen heeft, kent het vrijheidsgevoel van de boomkruin: tussen ruisend blad je kop in een bries steken vanuit een wiegende tak.
Om de nazi’s te ontvluchten stapte Sigmund Freud op zaterdag 4 juni 1938 op de Oriënt Express van Wenen naar Parijs, met zijn Martha en zijn Anna, met een dokter en een dienstmeid, en natuurlijk met zijn chowchow Lün. Toen ze de Rijn overstaken en Duitsland achter zich lieten, zou Freud gezegd hebben: “Nu zijn we vrij.”
Kunstenaar Noor van der Brugge maakt tekeningen en kunstenaarsboeken. Normaal gesproken verschijnen haar kunstenaarsboeken in extreem lage oplages van 3 tot 9 genummerde exemplaren, maar Freud’s Cigars kent een oplage van 125 exemplaren, waarmee ze de grenzen van het concept kunstenaarsboek verkent. Moet een kunstenaarsboek handgedrukt en handgebonden zijn? En, wat is dit nou eigenlijk voor boek? Een verzameling tekeningen, foto’s en tekstfragmenten die commentaar op elkaar leveren. Er is geen sprake van een echt verhaal, al voelt het wel zo wanneer je het ‘leest’. Het is ook niet echt een beschouwing over Freud of zijn werk, want het lijkt wel over van alles te gaan – over Franse koningen en keizers die luchtgitaar spelen, of op sexy paarden rijden, over het eten en kussen van dieren, over een giechelende Eva en over dansende dichters. Het is in elk geval geen biografie van Freud, alleen aan zijn vlucht van Wenen naar Londen wordt gerefereerd. Gaat het hier wel over Freud? Zelfs een portret van Freud met onvermijdelijke sigaar in de hand ontbreekt. Van alle tekeningen op 84 pagina’s is er überhaupt maar eentje bij van Freud. Wel wemelt het van de sigarenbandjes met portretten van mannen en vrouwen die al heel lang dood zijn. Wat hebben ze ons te zeggen? Drijft Van der Brugge hier de spot met de verzamelaar, en daarmee met het allegaartje dat ze zelf bijeengebracht heeft? Of zien we hier een grandioze alternatieve wordingsgeschiedenis van de moderne mens over het hoofd?
Van der Brugge zal wel niet voor niets aan het begin van haar boek een figuurtje met een stuur en een gaspedaal getekend hebben, met daarbij de beroemde regels uit Eliots Prufrock:
   Oh, do not ask, ‘What is it?’
   Let us go and make our visit.
Of wil Van der Brugge stiekem toch dat we ons buigen over die vraag?
We slaan de bladzijde om en zien een grote rookwolk. Uitlaatgas of sigarenrook? Mensen die bij Freud op de divan hebben gelegen herinneren zich de walm van zijn sigaren, het licht dat door de hoge ramen naar binnen viel, en vanachter kringelende rook de stem van Freud die met de rug naar hen toe zat, en buiten hun blikveld. Voorbij de herinnering van mensen ‘die het na kunnen vertellen’ is er de mist van de geschiedenis. Als schakels in een keten komen elke bladzijde andere historische en fictieve figuren voorbij, in onverwachte poses. Het lukt Van der Brugge regelmatig om een glimlach op je gezicht te toveren en daarmee de tot symbool geworden figuren weer menselijk te maken.
Maar de keten krijgt niet direct gestalte en ik besef: Waar dit naartoe gaat wordt waarschijnlijk niet veel duidelijker dan wat we er zelf van maken. Het aardige is dat Van der Brugge ons helpt te blijven waken voor snelle invulling van ‘het beeld’. Neem een schilderij van Napoleon op het slagveld. Op de vorige pagina’s heb je net gelezen over onze behoefte aan sterke leiders. Dat is precies zo’n moment waarop Van der Brugge zegt: Kijk eens naar die sexy kont van dat paard.
Ergens bij Freuds vlucht van Wenen naar Londen zit een omslag in het boek. Van der Brugge zoemt in op de hereniging tussen Freud en zijn geliefde chowchow Lün die maanden in quarantaine heeft gezeten. Daarna volgt een serie foto’s van mensen die dieren kussen. Een giechelende Eva doet een stapje naar voren uit de bijbel en dan is daar nog filosoof en dierenactivist Peter Singer… Even vrees je voor een moralistisch vingertje maar dat blijft gelukkig uit. Ik bleef hangen aan een tekening van Lün, die ons met droeve ogen aanstaart. Maar dit is geen chowchow! Dit is een, tja, wat voor hond is dit, laten we zeggen een kruising tussen een Duitse staander en een vizsla. Van der Brugge heeft iets met honden herinnerde ik me van haar website, en deze droeve kop had ik eerder gezien. Inderdaad vind ik daar beelden uit een boekje dat ze met Wim Brands maakte, dat zo begint: Gisteravond was Bardot op televisie | Ze rende door een boomgaard | met een hond | achter zich aan. Het is dezelfde hond als die Lün moet verbeelden. Nu ben ik honderden foto’s van Brigitte Bardot met honden verder, maar ik heb hem niet gevonden. Haar bloedhond komt nog het dichtst in de buurt. Zo vouwt het boek open, net als zijn omslag, en kun je als lezer verdwalen in werelden die erbuiten maar ook erin besloten liggen.
De sigaren die zijn levensvreugd waren, brachten hem ook aan zijn eind, zijn ‘einde in vrijheid’ dat hij in Engeland zocht. Freud leed al 16 jaar aan kaakkanker, wat doorgaans gekoppeld wordt aan zijn fanatieke rookgewoonte: Hij stak de ene met de andere aan. Ondanks talloze kaakoperaties verergerde de situatie mettertijd en stonk de laatste weken voor zijn dood zijn necrotische kaak zo erg dat zijn geliefde chowchow niet meer bij hem in de buurt wilde komen.
Maar dat staat niet in dit boek. Of wel. Je zou trouwens helemaal vergeten gewichtige dingen te zeggen over het Ich en het Es, en over de status heden ten dage van de psychoanalyse, maar dat zou ook geen recht doen aan dit prettig pretentieloze maar toch diepzinnige boek. Of kunstwerk.

FREUD'S CIGARS

Uitgesproken in het Centraal Museum Utrecht op vrijdag 13 oktober 2017 door Cornel Bierens

 

Dames en heren,

Toen ik ter voorbereiding van dit praatje mijn Freudboeken weer eens doorbladerde vond ik ergens tussen de pagina's een knipseltje uit een NRC van jaren geleden. Het was een zogenoemd ikje, een anekdote van een lezeres met de titel Kleine Oedipus. Ik lees het even voor.
'Tijdens mijn studie psychologie heb ik kennisgemaakt met de psychoanalytische theorie van Freud en deze gelijk verworpen omdat de onderbouwing weinig empirisch was. Fallische fase, droomduiding en oedipuscomplex: het leken me waardeloze concepten.
Nu, jaren later, heb ik een zoon van vier. Af en toe vertelt Oek me dat hij verliefd op me is en dan fluistert hij romantisch in mijn oor: "Ik ga morgen met je trouwen."
Jaloers is mijn man niet, maar de tweede plaats voelt onverdiend. Zondagochtend vertelt Oek bij het opstaan: "Ik heb over jou gedroomd, papa." Verheugd spitst papa zijn oren om de rest te horen: "Jij was een banaan en ik heb je opgegeten." '
Het verhaaltje geeft prachtig weer hoe de vlag erbij hangt in Freudland. Zijn theorieën doen we graag af als pretentieuze onzin, en toch moeten we van tijd tot tijd toegeven dat er wel degelijk een waar- heid in schuilt. Een moeilijke combinatie, die dan ook tot een steeds weer oplaaiende loopgravenoorlog heeft geleid. De ene partij spreekt ongeremd van Sigmund Fraud, van kwakzalver, charlatan, mythomaan en zelfs pathologische leugenaar. De andere partij gedraagt zich als een gesloten sekte van geloofsijveraars met hele lange tenen. De bron van dit conflict ligt zonder twijfel bij Freud zelf, die maar al te goed wist dat hij niet voldeed aan academische maatstaven.
'Ik ben niet echt een wetenschapper,' bekende hij in een brief, 'geen waarnemer, geen experimentator en geen denker. Mijn temperament is dat van een conquistador, een avonturier.' Evengoed claimde hij systematisch een wetenschappelijke status voor zijn ideeën, om ze zo een hoger prestige te bezorgen. Hij zei zelfs te verwachten dat er ooit een biochemische basis voor zijn bevindingen zou worden aangetoond.
Als hij niet zo gepocht had op de onweerlegbaarheid van zijn theorieën zou hem veel professorale hoon bespaard zijn gebleven. Wat dat betreft verschilt hij hemelsbreed van bijvoorbeeld Nietzsche, toch ook een groot psycholoog met een enorme eigendunk. Maar bij hem ben je al in de lach geschoten voor je op het idee komt om hem om een bewijs te vragen. Welke lezer van Nietzsche roept wantrouwig uit:
'Dus jij durft te beweren dat God dood is? Zou je dan niet eerst eens bewijzen dat God ooit heeft geleefd?' Terwijl je bij dokter Freud, als die zegt dat er iets mis is met je libido, al gauw vraagt: 'O ja? En waar zit dat libido dan?'
Aan de creativiteit, originaliteit en invloed van Freudʹs denken hoeven we niet te twijfelen, en de vinnigheid van zijn bestrijders heeft dan ook altijd iets vermakelijks. Alsof Freud uit onze cultuur, die hem al tot in de haarvaten heeft opgezogen, ooit nog weg te krassen zou zijn. De psychoanalytische therapie ja, die lijkt zijn beste dagen wel te hebben gehad. Maar al die beeldende freudiaanse termen, neem het onbewuste, krijgen we uit onze taal nooit meer weg. Vroeger hadden we Aap, Noot en Mies, nu hebben we Ego, Id en Superego.
Wat maakt het uit dat Freud bij zijn gevalsbeschrijvingen veel meer zelf verzon dan hij deed voorkomen, of dat de dromen die hij quasi uit de mond van anderen optekende in feite van hemzelf waren? Dostojevski, om weer eens een andere tijdgenoot van hem te noemen, verzon ook alles zelf, en ook in hem herkennen we nog steeds een groot psycholoog. Je vraagt je af wanneer de psychoanalytische boe- delbeheerders nu eindelijk hun benardheid eens afwerpen, en de nog steeds gesloten archieven opengooien om er een lekker frisse wind door te laten waaien. Nadat er bijna tachtig jaar over de nalatenschap is geheerst in de geest van de controlerende wetenschapper die Freud wilde zijn, wordt het onderhand hoog tijd voor de geest van de vrij- denkende avonturier die hij eigenlijk veelmeer was. Dat laatste be- weerde hij niet alleen zelf, hij bewees het ook toen hij in juli 1938 in zijn huis in Londen, waar hij niet lang daarvoor was neergestreken na zijn vlucht voor de nazi's, bezoek kreeg van een kunstenaar. Salvador Dalí.
Zoals bekend wordt er in de kunstgeschiedenis steevast een ver- band gelegd tussen het surrealisme, de stroming die Dalí bij uitstek be- lichaamde, en het onbewuste van Freud. Wat zou een mooier compli- ment zijn geweest voor Dalí als Freud had gezegd: 'Meneer Dalí, u bent een man naar mijn hart. U beeldt feilloos uit wat ik me bij het onbe- wuste altijd heb voorgesteld!' Maar dat zei Freud niet. Freud zei: 'In klassieke schilderijen zoek ik naar het onbewuste, in een surrealistisch schilderij naar het bewuste.' Raak geformuleerd, want wat zie je als je naar het surrealisme kijkt? Dat het weliswaar mooie, fantasievolle, en inderdaad werkelijkheid-overstijgende schilderijen zijn, maar ook dat ze erg planmatig, voorbedacht en met veel technisch vernuft zijn ge- schilderd. Freud miste de chaos, de wildheid, de vrijheid van het on- bewuste. Dalí was dan ook diep teleurgesteld. Freud, vond hij, had met zijn opmerking een doodvonnis geveld over het surrealisme.
Dit is het moment om te beginnen over het boek van Noor van der Brugge dat we hier vandaag ten doop houden. Want in mijn ogen is het hoofdthema daarvan precies de vrijheid die Freud bij Dalí vond ontbreken. Alleen de titel al, Freudʹs Cigars, is in z'n ongerijmdheid bril- jant. Als je in twee woorden Freudʹs doen en denken wilt samenvatten moet je deze kiezen. Freud was een kettingroker, ook tijdens zijn the- rapeutische sessies. Wie door hem werd geanalyseerd lag niet alleen op de sofa maar ook in een wolk van sigarenrook - en bovendien in een hondenlucht, want zonder zijn lieve chowchow was de meester geen mens. Wat symboliseerde die sigaar nu die hij permanent in en uit zijn mond nam? Net zoiets als de banaan van de kleine Oek uit de anekdo- te waarmee ik begon? Of toch iets anders? Freud zelf heeft op dit punt uitsluitsel gegeven toen een collega hem ooit dezelfde vraag stelde. Roken, zei hij, is een substituut voor de meest algemene en meest re- gressieve verslaving die er is: masturbatie. En wie masturbatie zegt, zegt seks, oftewel Eros, een term die Freud gebruikte voor de levens- drift die hij in ieder mens werkzaam achtte.
Laat ik aan die eigen duiding van hem nog een tweede, overigens nogal voor de hand liggende interpretatie toevoegen. Die sigaren sym- boliseerden ook zijn doodsdrift, een begrip uit zijn latere theorieën, waarmee hij aangaf dat er in de mens, naast levensdrift Eros, ook een destructieve kracht werkzaam was, Thanatos. Die sigaren stonden dus
voor twee dingen. Ten eerste voor Freudʹs vitaliteit, ook als denker, want als hij niet rookte, zei hij, kon hij niet denken. En daarnaast voor zijn eigen doodsdrift, die hij overduidelijk niet minder serieus nam. Het sigaren roken moest hij bekopen met kaakkanker, waar hij aan leed gedurende de laatste zestien jaar van zijn leven. Grote delen van zijn kaken werden operatief verwijderd, en als de enorme prothese, in de familie 'het monster' genoemd, niet helemaal lekker zat kon hij zijn mond niet open krijgen. Maar gerookt moest en zou er worden, en met behulp van een wasknijper kreeg hij de bolknak toch altijd weer tussen zijn tanden.
De sigaar als pars pro toto, een stijlfiguur waar Noor van der Brugge een meester in is. Als geen ander kan ze een totale wereld be- lichten door er één klein deeltje uit te tillen. Als ze, omdat Freud over de aantrekkingskracht van sterke mannen schreef, Napoleon tot on- derwerp neemt, zoemt ze in op de aars van des keizers paard en schrijft erbij: THE SEXIEST HORSE-ASS EVER. Even wordt de blote kont van het paard die van de kleine generaal zelf, en wonderlijk ge- noeg wordt de connectie tussen Napoleon en Freud er weer net iets hechter van. En zo gaat het door het hele boek heen.
Je voelt dat de kunstenaar zich wel in Freud heeft verdiept, maar vanaf een gepaste afstand. Ze heeft de ruimte behouden om op haar eigen manier naar hem te kijken, een ruimte die ver af ligt van al die scholen waar ze precies weten hoe je Freud moet zien. Zo heeft ze zich in de positie gemanoeuvreerd van de zingende vogel, die volgens de middeleeuwers nog zong voor God, daarna volgens de biologen vooral voor de seks, en die uiteindelijk toch gewoon bleek te zingen omdat hij het leuk vond om te zingen. En nadat we dat allemaal tot ons hebben laten doordringen en het boek hebben dichtgeslagen, vouwen we als laatste ook nog even het leporello open dat eromheen zit. En dan, in het slotakkoord, dringt pas goed de tekst van dat vogellied tot ons door, dezelfde tekst die Freud uitsprak toen hij in 1938, na zijn vlucht voor de nazi's, in Engeland voet aan wal zette: JETZT SIND WIR FREI.
Ik dank u voor uw aandacht.

© Cornel Bierens, Amsterdam, oktober 2017

Uit:Juryrapport Kunstliefde prijs 2017

 

Wij waren blij verrast door de durf en kwaliteit van het werk van Noor van der Brugge dat zij in de expositie Nieuwe Liefde toonde: ze maakt kunstenaarsboeken in een zeer beperkte oplage, soms zelfs unieke exemplaren. Daarbij doet ze alles zelf; de tekeningen, de illustraties, de keuze van de al of niet door haar zelf gemaakte teksten, de typografie, het printen, binden, vormgeven en vooral het verhaal waarbij grote woorden klein worden gemaakt, herkenbaar en toegankelijk. Ze laat de verbeelding werken. Menselijke maat, humoristisch en met verhaallijnen die door de kunsthistorische geschiedenis dwalen zoals in het werk dat ze in Kunstliefde liet zien: Walking with Giacometti through Venice. Ook de losse tekeningen van Noor zijn juweeltjes op zichzelf.
We hebben van Noors werk dat zij bij de expositie Nieuwe Liefde toonde, genoten.
Kunstliefde mag trots zijn haar in haar bestand te hebben opgenomen. We verwachten veel van haar in de toekomst, binnen en buiten Kunstliefde.

Jaap Roëll, Berthe Schoonman, Arna Loonstra

Article by Nancy Campbell

Beyond the Margins

The Yeats Sisters Press

Private presses Nancy Campbell tours the Netherlands to find the cream of its printmaking artists and its numerous active printing studios.

Water is a recurent image in the work of Noor van der Brugge, who runs The Yeats Sisters Press. ‘I take the train to visit het Utrecht studio, following the route of the Amsterdam-Rijn Canal, a journey that inspired one of van der Brugge’s books. ‘Vice Versa is a collection of ships’ names. I was teaching in Amsterdam, so I went there three times a week. In january I decided I would note down the first ship I saw from the train each day, along with the time and the weather. I collected these these notes for the rest of the year. It became a moment of reflection.’ Vice Versa is a long book, bound in landscape format, so that it resembles the barges that drift along the canal. Although the information provided is minimal and purely typographic, few words create a concrete poem in a manner reminiscent of Ian Hamilton Finlay’s work. Van der Brugge had been printing for some time before the growing use of text in het work led her to investigate letterpress. ‘I’ve always loved printing. I’ve done a lot of etching and lithography. My press may be one of the smallest in the Netherlands. I do everything myself; content, printing, illustration and binding.’ Her latest book, They all of them know, is ‘a experiment to combine letterpress and linocut.’ She loves the ‘stark, primitive technique’ of linocutting. The text is ‘a long poem by Charles Bukowski that goes on and on, a repetitive phrase about asking - only in the last line is there an answer.’ In van der Brugge’s setting, all the text is visible at first glance, as in a broaside; however, because the sheets are bound as a codex, the images are hidden until the pages are turned.Zie ook de pagina artists-books.

Interview door Janneke van der Veer

Margedrukker Noor van der Brugge

‘Woorden worden beeld op de pers’

Dit interview werd gepubliceerd in Boekenpost 102. Beeldend kunstenaar /margedrukker Noor van der Brugge (geb. 1962) is gek op boeken. Dat blijkt ook uit haar werk. Ze legt zich toe op het maken van kunstenaarsboeken - boeken in zeer kleine oplagen. Bijzondere uitgaven waarin ze vastlegt wat haar fascineert. Op een van de eerste voorjaarsdagen van dit jaar sprak ik met haar in haar atelier in Utrecht.

Het atelier is licht en sober ingericht. De werktafel is bezaaid met uit linoleum gesneden vogels. Het exemplaar van Boekenpost 100 dat ik heb meegebracht, valt open bij het artikel ‘De stropdas van de veilingmeester’ op bladzijde 26 en 27. ‘Prachtig he’, verzucht Noor van der Brugge naar aanleiding van de foto van Gerard Post van der Molen aan de pers, daarmee meteen haar fascinatie voor drukpersen uitend. Op pagina 13 valt haar oog op het logo van de afgelopen boekenweek: ‘Tjielp Tjielp’. Dat is aanleiding om van wal te steken over het boek waaraan ze momenteel werkt. ‘Ik ben bezig met een vogelboek’, vertelt ze, ‘het is een tweetalige beschrijving van vogelgeluiden, Nederlands en Engels. Het blijkt dat vogels in Engeland net iets anders zingen dan bij ons. Ik heb er met biologen over gepraat. Zelfs regionaal schijnen er verschillen te zijn. Dat intrigeert me evenals het feit dat vogelgeluiden belangrijk zijn voor mensen. Een zingende vogel doet wat met mensen. Daarbij is het een mysterie hoe vogels zingen. Ik probeer dat te begrijpen. Dat doe ik door er een boek over te maken. Tegelijkertijd weet ik dat het raadsel blijft. Je kunt het niet vastleggen, maar door ermee bezig te zijn, wordt het hanteerbaar.’ Het idee om een vogelboek te maken ontstond toen ze het boek Vogelleven (1957) van Nico Tinbergen bestudeerde. ‘Ik realiseerde me dat de vogelwereld bijzonder is. Ik kan me heel goed voorstellen dat vogelaars bijvoorbeeld ’s morgens om vier uur in het veld gaan liggen om een vogel te observeren. Prachtig die toewijding’, licht ze toe. ‘Een idee voor een boek begint meestal met iets kleins. Iets waardoor ik gegrepen word, iets wat ik wil begrijpen. Ik wil er dan iets mee doen.’

Grafiek als middel

Na de middelbare school volgde Noor de lerarenopleiding Engels en tekenen. Aansluitend ging ze naar de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, waar ze kennismaakte met de afdeling grafiek. ‘Ik was meteen helemaal weg van de persen die daar stonden’, vertelt ze, ‘het ambachtelijke ervan sprak me aan.’ De techniek is echter voor haar geen doel. Lees verder op de volgende pagina.

Cowgirl of art

door Alex de Vries

Noor van der Brugge verzamelt ongerijmdheden in beeld en taal.
De discrepanties in haar gezichtsveld doen zich voor in de tijd dat ze ze waarneemt.
Die tijd rekt zich steeds verder uit, maar ieder moment van waarneming verandert de betekenis van wat ze bedenkt bij wat ze ziet.
Ze zit in de trein en kijkt op van haar boek waarin op de titelpagina bij wijze van ex libris een vaal geworden stempel staat van een cowboy in een geruit overhemd op een paard en langs het spoor vaart op het kanaal een schip voorbij met een vrouwennaam.
Om dat alles slingert ze haar blik als een lasso. Cowgirl of art.
Noor van der Brugge neemt zich voor iets te zien en de consequentie te aanvaarden van wat dat zal zijn, ook al stemt het niet overeen met waar zij haar zinnen op zet. Toch dwingt ze daarmee af wat zij zich in haar hoofd haalt. Je kunt haar werk niet in een oogopslag plaatsen. Je moet je heen en weer bewegen tussen vroeger en nu en je een idee vormen van wat daarop volgt.
Om dat karakter van haar tekeningen en grafiek te versterken, gebruikt ze graag de vorm van het boek. Die maakt ze handmatig en in kleine oplagen van 1 tot 3.

Noor van der Brugge zoekt een persoonlijke verhouding tot historische momenten en personen. Ze doet dat in een beeldtaal die het voorbijgaande van persoonlijke lotgevallen in het perspectief van de geschiedenis van de mensheid als zodanig verbijzondert. Ze maakt grote woorden klein.
In een serie tekeningen laat ze weten met welke door de tijd getekende figuren ze graag de maaltijd zou gebruiken. Ze tekent portretten van ze op restaurantpapier en rust ze uit met gebruiksvoorwerpen die hun historische rol relativeert. Zo zit ze aan tafel met de boeken die ze leest en de kunst die ze bekijkt, de muziek die ze beluistert, de filosofen die ze bevraagt.
Haar werk gaat over het kijken als verwijlen en het verwijlen als denken en het denken als bedenken. Zo bedenkt ze bijvoorbeeld wie Napoleon wel niet denkt dat hij is. Ze stelt hem vragen waar maar één antwoord op mogelijk is, maar dat antwoord geeft ze niet. Haar werk is geen retorische vraag, maar een bevestiging van wat doorgaans in twijfel wordt getrokken.
Is het werk Noor van der Brugge voor meerdere uitleg vatbaar?

Alex de Vries, 13 april 2006